Telefoonnummer Solis(0570) 698 298

Van Heilige-Geest-Gasthuis naar Solis

Op 22 december 1267 stelden Willem Ridder van Vorden en de schepenen van Zutphen een oorkonde op waarin zij verklaarden, dat het gasthuis in Deventer een huis is toegewezen. Deze oorkonde vormt het bewijs dat 750 jaar geleden in de stad het Heilige-Geest-Gasthuis in functie was en dat het een waardevol bezit in ontvangst mocht nemen. Daarmee is tevens gezegd, dat de oudste rechtsvoorganger van zorginstelling Solis en van de Stichting IJssellandschap deze instellingen tot jubilarissen maakt.

Eén gasthuis voor alle armen

Deventer was in de dertiende eeuw een bloeiende handelsstad waar de jaarmarkten, de bedrijvigheid van het Hanzeverbond en de internationaal werkende handelshuizen grote welvaart brachten. Tegelijkertijd was er een druk geestelijk leven, dat zichtbaar werd in de kerken, kloosters en vanaf ongeveer 1380 ook in de vernieuwingsbeweging Moderne Devotie van Geert Grote. Dat alles maakte een klimaat mogelijk waarin kerk, stad en burgers zich inspanden om in gasthuizen de nabije medemens in nood te hulp te komen. De Christelijke naastenliefde is immers niet iets van alleen mooie woorden, maar vooral ook van daden.

Het Heilige-Geest-Gasthuis was het oudste, het grootste en meest veelzijdige gasthuis. Het fungeerde, met zijn vele gebouwen rond de hoek van de Brink en de Kleine Overstraat, tegelijkertijd als verzorgingshuis, verpleeghuis, ziekenhuis, crisisopvang, pelgrimslogies, armenwoning en hotel. Pas later zouden deze functies worden uitgesplitst en in afzonderlijke, gespecialiseerde instellingen een plaats krijgen. In de zeventiende eeuw legde de magistraat de grondslag voor het verplaatsen en fuseren van het Heilige-Geest- en Voorster Gasthuis tot het bejaardenhuis Grote en Voorster Gasthuis (nu: Tehuis) aan de Bagijnenstraat.

Verzekeringen tegen de gevolgen van ouderdom en ziekten waren onbekend en ook nauwelijks nodig. Wie voor zijn verblijf en zorg kon betalen deed dat, wie niet kon betalen kreeg toch hulp en wel 'om Godswil'. Dat laatste was mogelijk dank zij schenkingen door onbaatzuchtige weldoeners, het eerste door het instituut van de kostkopers. Die droegen bij hun leven bezit aan het gasthuis over in ruil voor huisvesting, verzorging en verpleging gedurende de rest van hun leven. Daar zat dus toch een aspect van verzekering in. De oudst bekende kostkopers zijn Dirk en Margaretha de Munter. Zij droegen in 1275 een terrein 'vóór de Brinkpoort' aan het huis over. Voorwaarde was dat zij een plaats in het gasthuis zouden krijgen.

Zowel kostkopers als weldoeners bedachten een gasthuis dikwijls met onroerend goed: woningen of jaarlijkse uitkeringen daaruit in de stad en los land en boerenerven daarbuiten. Geld belegden mensen dikwijls in onroerend goed. Veel andere mogelijkheden waren er niet en huizen en grond golden bovendien als heel solide belegging. Als gevolg van dit beleid werd het gasthuis vermogend en kon het grotendeels voortbestaan dank zij de opbrengsten uit het eigen kapitaal. Financiële onafhankelijkheid vormde het ideale einddoel van iedere weldadige instelling, maar niet alle gasthuizen wisten dit doel te bereiken: het Heilige-Geest-Gasthuis wel.

Een netwerk voor zorgverlening

In de loop van de tijd ontstonden meer gasthuizen, dikwijls met een specifieke doelstelling. Het St. Jurriën Gasthuis stond aanvankelijk buiten de stad en richtte zich op melaatsen ofwel leprozen. Voor alleenstaande vrouwen kwamen enkele hofjes tot stand. Het St. Geertuiden Gasthuis was bestemd voor pestlijders, later vooral voor zieke soldaten. Het ontwikkelde zich vanaf 1911 tot een algemeen ziekenhuis en het vormt één van de twee dragers van het tegenwoordige Deventer Ziekenhuis. Het St. Elisabethsgasthuis was bestemd voor geesteszieken, stichtte aan het eind van de negentiende eeuw een psychiatrisch ziekenhuis op het landgoed Brinkgreven en maakt nu deel uit van Stichting Dimence voor geestelijke gezondheidszorg. Met elkaar vormden de gasthuizen een groot netwerk voor zorgverlening in Deventer. Het bijzondere is, dat de voornaamste van hen nog steeds voortbestaan in moderne zorginstellingen met nieuwe namen, eigentijdse gebouwen en actuele doelstellingen en werkwijzen.

De inspiratie voor het barmhartige werk in de gasthuizen kwam van de Kerk en kreeg veelal vorm door de inzet van kloosterlingen. Het bestuur, dat zich richtte op de zakelijke leiding, was in handen van enkele leden van de stadsregering. Zij legden verantwoording af aan de magistraat. Zo waren bijna alle weldadige instellingen ondergeschikt aan de heren op het stadhuis. Dit model, dat al in de late Middeleeuwen vorm had gekregen, bleef in grote lijnen tot de privatisering aan het eind van de twintigste eeuw in stand.

Voor instellingen als het Heilige-Geest-Gasthuis gold een vast model. Het vormde letterlijk een godshuis: een langgerekte kapel met aan weerszijden bedsteden voor de zieken en aan het uiteinde een koornis met een altaar voor de dagelijkse eredienst. Het geestelijk welzijn van de bewoners stond voorop. Naarmate de omvang en de dienstverlening van het gasthuis toenamen, breidde de bebouwing zich uit. De kapel werd gereserveerd voor de eredienst, aan de Brink verrees in 1542 een ziekenzaal (die nog steeds herkenbaar is als onderdeel van de Bibliotheek), kostkopers kregen afzonderlijke huisjes en er kwamen vertrekken voor de zusters, de inwonende priesters en de overige personeelsleden. Voor de voedselvoorziening bouwde het gasthuis een eigen boerderij. De 'wandelaarskamer' of 'baaierd' bood ruimte aan zwervers.

De hulpvrager centraal

Al was het gasthuis primair een geestelijke instelling en stond de medische wetenschap op een laag niveau, voor de verzorging en verpleging van de bewoners was volop aandacht. Vanaf 1283 zijn huisregels en instructies voor personeel bewaard gebleven. Niet de hulpverlener maar de hulpvrager staan daarin centraal. Wie in het gasthuis werkte, moest zich openstellen voor de nood van de bewoners en zichzelf wegcijferen. Gasten die misbruik wilden maken van de goedheid van anderen konden niet op begrip rekenen. In noodsituaties waren echter altijd uitzonderingen op de regels mogelijk: de mens gaat vóór de wet. Pelgrims, zwervers, studenten, verbannenen en andere vagebonden vonden in de wandelaarskamer een droog en warm onthaal, eten, drinken en voor enkele nachten een bed. De meeste zwervers moesten na één of twee nachten vertrekken, maar wanneer de wegen onbegaanbaar waren mochten ze blijven. Op feestdagen als Kerstmis en Pasen aten ze geen 'brei uit de pot' maar kwam een feestdis op tafel. Wie zich misdroeg kreeg een berisping of werd de deur uitgezet, maar dronkenlappen stopten de zusters zonder discussie in bed. Hoeren kregen geen bed, die mochten niet eens naar binnen. Hoogzwangere alleenstaande vrouwen waren evenmin welkom, maar zij werden wel elders ondergebracht, voorzien van lakens en geld. Met koud weer vormde zich een kring verkleumde gasten rond de kacheloven. De zusters moesten dan toezien, dat opdringerige gasten niet de kinderen, ouderen en bescheiden zielen wegdrukten en in de koude lieten staan. Vóór acht uur 's avonds moest iedereen in bed liggen, mannen en vrouwen strikt gescheiden. Dekens waren er voldoende, kleren mochten niet als beddengoed dienen. Na het avondgebed moest het stil zijn. Diefstal werd niet getolereerd, maar in een noodsituatie toch niet met uitzetting bestraft. Dat was anders wanneer een man niet van een vrouw kon afblijven: dan volgde onverbiddelijk verwijdering uit het huis. Stierf een zwerver, dan kreeg hij een uitvaart door de zorg van de bestuurders en wel 'alsof hij tot hun eigen huisgezin behoorde'. 

Ernstig zieken die bedlegering waren beschikten over een eigen zaal. Twee inwonende meisjes verzorgden hen, ze serveerden dieetmaaltijden en in het donker brandden die ziekenverzorgsters kleine olielampjes. Geesteszieken kregen speciale aandacht. Vóór het slapen kwamen de zusters vragen of ze nog iets wilden eten of drinken, want misschien konden deze gasten dat zelf onvoldoende duidelijk maken. 

De bestuurders verdeelden het werk in het huis onder de zusters. Zij die in de directe zorgverlening werkzaam waren, kregen geen andere taken. Anderen waren actief in ondersteunende functies, bijvoorbeeld in de bakkerij, de bierbrouwerij, de slachterij of de tuin. De zusters moesten voor alle gasten even aardig zijn, zonder met sommigen extra vertrouwelijk om te gaan. Ze mochten geen geschenken van verpleegden aannemen en hen evenmin zonder beloning aan het werk zetten: 'anders zouden wij de rechtvaardheid verkopen (…) en niet vrij staan tegenover onze gasten' (aldus de statuten). 

De aanwezigheid van de zusters, van inwonende priesters en van een kapel maakte het mogelijk dagelijks de liturgie te vieren, zodat het gasthuis zich kon invoegen in de kerkelijke kalender, die het gehele leven in de Middeleeuwen beheerste. In die vrome sfeer moest zich ook het lekenpersoneel voegen: de meisjes die hielpen in de ziekenverzorging en het huishouden, de bedrijfsleider van de boerderij en zijn knechten, de koster en allerlei losse werkkrachten. Het personeel en de bewoners mochten in de loop van het jaar rekenen op traktaties in spijs en drank dank zij testamentaire beschikkingen van welvarende weldoeners. Ze moesten uiteraard wel bidden voor de zielenrust van deze schenkers. Rijken en armen hadden elkaar immers nodig. De rijken deden schenkingen, de armen baden voor hen. Investeren in een gasthuis was aantrekkelijk. Dan bleven de bewoners ook in volgende generaties voor de gestorven weldoeners bidden, zodat deze mochten hopen, door de gebeden in de hemel te komen.

Onder vader en moeder

Onder de Republiek (globaal in de zeventiende en achttiende eeuw) waren de gasthuizen exclusief protestants. Bestuurders, personeel en bewoners moesten gereformeerd zijn. De dagelijkse leiding kon niet langer in handen zijn van zusters. Daarom stelden de bestuurders een 'vader' en een 'moeder' aan, veelal een echtpaar. Evenals vroeger de zusters handhaafden zij orde en tucht. Dat werd gemakkelijker nadat de gasthuizen zich in hun taken specialiseerden. Het Heilige-Geest-Gasthuis heette voortaan Grote Gasthuis. Het stootte de zorg voor onmaatschappelijke en andere marginale figuren af en werd een bejaardenhuis. De stad verplaatste het van de Brink naar de Bagijnenstraat en combineerde het met een soortgelijke instelling, het Voorster Gasthuis. Een fusie van beide volgde in 1798. Naarmate de lepra minder voorkwam, kon ook het St. Jurriën Gasthuis overschakelen op ouderenzorg en zijn gebouw verplaatsen van de Snipperling naar de Bagijnenstraat. Nadat de vier hofjes voor vrouwen in 1850 waren verenigd in het Oude Vrouwenhuis, hadden alle genoemde instellingen zich gespecialiseerd in ouderenzorg. Vanaf 1880 combineerde de gemeente alle instellingen met het St. Geertruiden Ziekenhuis tot de Verenigde Gestichten. Er kwamen één bestuur en één rentmeester voor de vele bezittingen, die vooral bestonden uit landerijen buiten de stad.

Lange tijd bleef het doel van de gasthuizen om uit de opbrengsten van hun bezittingen hun hulpverlening te financieren. De zorgverlening en het goederenbeheer waren daarom onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat was ook duidelijk zichtbaar tot in de negentiende eeuw, toen de boeren hun pacht in natura aan het gasthuis afdroegen. Producten van akkerbouw en veeteelt leverden zij bij de keuken van het gasthuis af. Maar ook toen geld de plaats had ingenomen van de landbouwproducten, bleef de onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid ongewijzigd. De rentmeester hield nog tot ver na de bezettingstijd kantoor in één van de bejaardenhuizen en kon dagelijks ervaren, voor welke doelgroep hij met zijn staf werkzaam was. 

Gesplitst en verzelfstandigd

In 1965 kwam deze hele constructie in de gevarenzone. Bij het invoeren van de Algemene Bijstandswet had de wetgever bedacht, dat de bezittingen van de weldadige instellingen over zouden gaan op de gemeente en dat deze de gehele regie zou krijgen van de financiering van de ouderenzorg. In Deventer zou dat leiden tot het verlies van een traditie die terugging tot de dertiende eeuw. Om dat te voorkomen, werden de gasthuizen ondergebracht in een stichting. De revenuen uit eigen vermogen mochten in het vervolg niet meer ten goede komen aan de zorgverlening door de Gestichten. Dat maakte het splitsen en verzelfstandigen van beide takken, namelijk zorgverlening en landerijenbeheer, noodzakelijk. In 1986 is dat gebeurd.

De zorg ontwikkelt zich nu verder binnen Zorggroep Solis. Die heeft de verantwoordelijkheid voor het Grote en Voorster Tehuis aan de Smedenstraat en St. Jurriën aan de P.C. Hooftlaan. Het landelijk bezit is ondergebracht bij de Stichting IJssellandsschap, die en goed rentmeester wil zijn en werkt vanuit het concept van een 'toegewijd landschap'. Na 750 jaar mogen Willem van Vorden, Dirk en Margaretha de Munter tevreden zijn.

Dr. C.M. (Clemens) Hogenstijn